tekst EDWIN SCHOON
"De Midlife Chrysler is in reparatie, dus je kan niet op de
achterbank. Rij zelf maar naar Alphen. Jullie vinden het wel, hè?" De
hese stem van Jeroen Zijlstra verraadt dat de ochtend niet zijn meest
geliefde dagdeel is.
Sinds de nieuwste cd, De Doorbraak, uitkwam toert de liedjesschrijver
uit Durgerdam met zijn band Zijlstra alweer vijf maanden door het
land. Vandaag is het laatste optreden voordat de Kleine Komedie moet
worden platgespeeld.
Het is zaterdagmiddag half vier wanneer Jeroen Zijlstra ons joviaal
binnenlaat in de hoge foyer van het oude Parktheater in Aphen aan de
Rijn. De stadse odeur van verschraald bier en niet meer te verdrijven
sigarettenrook doet weldadig aan, zeker na de overmatige zuurstof van
het landelijke buiten. "We werken nog even aan wat teksten, maar als
de techniek klaar is gaan we soundchecken, koffie? Of bier?" Hij
grijnst erbij alsof hij aan onze hoofden ziet dat de alcohol van
gisternacht nog niet helemaal uit het bloed is.
Verspreid over de leestafel liggen tientallen A4-tjes. Saxofonist
Rutger Molenkamp kijkt even op, geeft ons rustig een hand, en gaat
weer verder. "Hij werkt aan muziek op een tekst van Lennette van
Dongen," roept Zijlstra die intussen het koffiezetapparaat heeft
gevonden. "Nu alleen nog de koffie. Hier moet ergens zo'n ouderwets
blik staan."
Uit de opengeslagen deuren naar de theaterzaal waaieren al wat
pianoklanken en drumgeluiden de foyer in. Terwijl de fotografe - "Hoe
rolbevestigend" roept Zijlstra - de koffie en filters wél traceert,
vertelt de zanger: "Niet alle theaters zijn zo gastvrij. Soms is de
techniek echt ondermaats of moet je voor elk glaasje betalen. De
commercie rukt op. Door alle bezuinigingen boeken theaters ook liever
acts die toch wel volle zalen trekken. Ze spelen op safe. Logisch,
maar voor beginnende groepen wordt het steeds moeilijker daartussen te
komen."
Die tijd ligt inmiddels achter Zijlstra. In 1999 kwam de band, toen
al in de huidige samenstelling, met Olie & Rook. Pas twee jaar later
viel de band in veel bredere kring op met Tussen Den Oever en New
York. De nummers kwamen wederom voornamelijk uit de koker van Zijlstra
zelf, die zijn ervaringen als zeevisser bezong, maar ook de muzikale
ontmoeting met Amsterdam en liefdesperikelen in allerlei variaties.
Het nummer Ode aan het dorpsgevoel over de kermis in het Westfriese
Spanbroek (is voor een leek wat moeilijk te bevatten) zegt veel over
de achtergrond van Zijlstra, die in zijn jeugd jarenlang solo zong in
een vrijzinnige kerkkoor uit Den Oever. Het swingende nummer Koperen
Helden, over zijn kennismaking met de muziek van Chet Baker en Miles
Davis en het Bimhuis, markeert zijn overgang naar stadse sferen. Maar
die is bij Zijlstra nooit volledig. Wat bijvoorbeeld blijkt uit het
landelijke lied Durgerdam Slaapt, van de tweede cd, die in 2002 werd
bekroond met de Annie MG Schmidtprijs voor het beste Nederlandstalige
lied.
En dat is niet alleen vanwege de tekst. Zijlstra Ð die op het
conservatorium trompet studeerde Ð verzamelde professionele
jazzmuzikanten om zich heen, met gevoel voor het levenslied. En dat
blijkt, het is al eens eerder gememoreerd, een explosief mengsel te zijn.
Nu de derde CD uit is, oprecht maar tegelijk met gevoel voor zelfspot
De Doorbraak genoemd, is landelijke aandacht hun deel. Dat is even
wennen. Maar als er een band is, die geen knieval zal maken voor het
populaire sterrendom, is het Zijlstra. "Dat is ons voornaamste
uitgangspunt," verklaart saxofonist Molenkamp. "Financieel gewin mag
niet ten koste gaan van muzikale ambitie en artistieke kwaliteit,
zoals je bij veel artiesten ziet. Geld staat in dienst van de muziek.
Niet andersom."
Met zwarte tape werken de technici van het Parktheater de losse
snoeren weg. Dit is het uur van Chris Weeda, de vaste geluidstechnicus
van Zijlstra en tevens - daar is de zelfspot weer - 'stand-in voor elk
bandlid'. Sinds kort kan de band hem ook betalen. "Hij krijgt
hetzelfde als de bandleden," zegt bandleider Zijlstra later tijdens
het eten. "Hij is net zo belangrijk."
"Een randje meer bas graag," roept toetsenist Ed Boekee. Leadzanger
Zijlstra laat, vocaal ondersteunt door Molenkamp, Boekee, en de jonge
Nout IngenHousz achter het drumstel, het meerstemmige Hunkeren horen. De technicus is
tevreden.
Het restaurant, vijftig meter verderop, ademt valse chic, tot
hilariteit van de band. "De theaterdirecteur heeft het aangeraden,"
verontschuldigt Weeda zich nog. De ober
laat de fles laat stuiteren op het nepparket. "Een plaatselijk
gebruik?" vraagt Zijlstra. Het ijs is gebroken.
Tot halverwege het hoofdgerecht - kleine smaakvolle hapjes op veel te
grote borden - klinkt Norah Jones op de achtergrond, zeker anderhalf
uur. "Die cd lijkt wel op repeat te staan," oppert iemand. "Norah
Jones ’s repeat," sneert Weeda over tafel.
De pianist van het restaurant treft het niet dat zijn instrument
naast onze tafel staat. Hij speelt - het valt feilloos samen met de
setting - een smakeloze medley van oude hits. Maar telkens als het
intro erop zit, zetten IngenHousz en Boekee in met de overbekende
tekst. Hello, is it me you looking for? De man speelt ogenschijnlijk
onverstoorbaar door.
Opeens is bassist Edwin Wieringa verdwenen. "Hij is per telefoon zijn
kinderen in slaap aan het zingen," weet Zijlstra. Er wordt niet
lacherig over gedaan. Wachtend op de espresso, tijdens de zesde fles
witte wijn, vertelt Molenkamp over de rolverdeling. Hijzelf schrijft
mee aan de muziek, wil hij niet ook de baas van de band zijn?
"Absoluut niet. Wij hebben het nodig, dat één iemand de knopen
doorhakt. Dat is Jeroen. Democratie schiet niet zo op. Maar hij is ook
geen dictator. Noem het maar verlicht leiderschap."
Pianist Boekee voegt toe dat de band zoekt naar spanning in elk
optreden. "Lang niet alles ligt vast. We proberen steeds te
verbeteren, het gaat om finesses. Maar laten bewust ruimte voor
improvisatie. En ieder van ons doet er dingen bij, om contact te
houden met andere muziekwerelden. Dan roest je niet vast."
In de kleine kleedkamer wordt spa blauw gedronken. Nog een half uur
voor het optreden. "Natuurlijk waren we redelijk dronken na het eten,"
vertelt Zijlstra na de voorstelling. "Maar het mooie is dat we daarna
zo gefocust raken, dat we echt iets neerzetten." Dat blijkt. De
grapfrequentie neemt af. Het omkleden begint. Ingenhousz strijkt zijn
overhemd. "Waarom is die visagiste toch altijd zo laat?"
"Eigenlijk heb ik niets met kleding," stelt Zijlstra. "Wij komen uit
de jazz-scene. Daar komt men om kwart over acht binnenzeilen en speelt
men met de rug naar het publiek. Wij zijn zeker geen showband
geworden, maar we willen er wel verzorgd uitzien."
Terwijl Boekee
worstelt met de een protesterende gebraden eend in zijn maag, hijst
Molenkamp zich als enige in een pak. Het misstaat hem niet.
Het geroezemoes uit de foyer klinkt steeds luider door in de
kleedkamer. Zijlstra ijsbeert door de kleedkamer, laadt zich op. Maakt
grappen. De andere bandleden worden steeds stiller.
De theaterdirecteur komt even naar boven. Korte babbel. "Alles naar
wens? Lekker gegeten? Nee, het is niet goedkoop voor wat je krijgt.
Nou, jongens, succes." Het enige dat de band wil weten is hoeveel
kaarten er zijn verkocht. "Honderdtwintig."
Dan komt de technicus naar boven, steekt twee vingers op: twee
minuten, jongens. Molenkamp strijkt nog een plooi weg, Ingenhousz pakt
zijn drumstokjes, Boekee neemt nog een slok, de eend houdt zich
rustig. De band staat al op het smalle trappetje richting zaal. "Kom
maar op," zegt de technicus. Dan geklap, wat tikjes op schouders en
billen en de vijf muzikanten verdwijnen achter het gordijn.
De zaal is voor driekwart vol, en afwachtend. Maar Zijlstra weet
direct ook hier direct het ijs te breken. "Welkom Alphen aan de Rijn."
Weinig response. "En omstreken" Gejuich in een hoek. "Dit nummer is
speciaal voor jullie, omstreken." Gejoel. "Het heet: Je bent zo lekker
lelijk." De zaal grinnikt.
De afwisseling van ingetogen nummers met up tempo-composities, waarin
de muzikanten zich alleen waar het past mogen uitleven in een solo, is
de kracht van de band.
"Het is de zapcultuur die dit mogelijk maakt,"
legt Zijlstra na afloop uit. "Mensen vinden het al snel saai als je
vergelijkbare nummers speelt."
De ballade De Pont naar Noord, waarin een verleiding met de ogen door
het ritme van golven wordt begeleid, werkt betoverend. Bassist
Wieringa, tot drie maanden geleden nog geveld door een hernia, geniet
zichtbaar van zijn lange solo, waarbij de pont langzaam in beweging
komt.
Dat plezier straalt überhaupt van de band af. De enkele keer dat
Zijlstra zijn tekst even kwijt is, lossen de anderen het glimlachend
op. "Het is onderdeel van onze manier van spelen," zegt Zijlstra, "We
nemen bewust risico, zoeken de spanning op. Meestal levert dat iets
moois op, soms ga je op je bek. Maar uiteindelijk staat de zaal op z'n
kop. Daar zorgen we wel voor."
De kwetsbaarheid van een nummer als Ellen, over een verbitterde vrouw
die zich bezat aan de bar, wordt ronduit treffend vertolkt in Alphen,
waar het publiek zich steeds meer roert. Dankzij Zijlstra. Die gaat
namelijk compleet los bij een ska-nummer als Tijger, over een nogal
wild liefje voor één nacht, dat hem in de Utrechtsestraat verschalkt.
In de pauze wordt hevig gediscussieerd in de kleine kleedruimte. De
ritmes van IngenHousz voor het nummer Ellen waren bij Boekee niet
bekend. Conclusie: repeteren noodzakelijk. Vóór Amsterdam. Bier en spa
gaan gulzig de kelen in.
Het nummer Breek. Tja. De tweede set wordt er mee begonnen, de cd is
ernaar genoemd en het heeft iets met het leven van Zijlstra zelf te
maken. Maar wat dat doet er nu juist niet toe. Want door het nummer te
vertolken zoals ook in Alphen weer lukt, grijpt het diep. De tekst is
zó raak voor wie zich op een kruispunt van zijn leven bevindt, dat de
stilte tussen de laatste toon en het applaus, als vanzelf lang duurt.
De zaal gaat los. Zelfs de meest notoire chagrijn roept om een
toegift. Het publiek is niet jong, zo'n dertig tot zestig, maar
Zijlstra's muziek is leeftijdloos. Het troost, tovert een lach en doet
meezingen. Zijlstra zelf gromt als in een yogaoefening bij Hunkeren,
en laat zijn buik zien als het hem uitkomt. Drie keer komt de band
terug, om vervolgens niet meer weg te gaan.
Want, direct na het laatste nummer zakt Zijlstra door de knieën,
trekt een hema-tas naar zich toe en roept: één cd voor vijftien, twee
voor dertig en drie voor 45 euro! Het publiek schrikt even van zoveel
directheid, nog in de sfeer van het laatste nummer, Durgerdam Slaapt.
Maar dan drommen steeds meer mensen om Zijlstra en Molenkamp heen, op
jacht naar cd's met handtekening. Twee kinderen willen voor hun vader
alle vijf de krabbels, dus komen ook de andere bandleden uit de
coulissen.
"Mensen vragen van alles," zegt Zijlstra iets later, onderuitgezakt
in de lege zaal. "Alsof ze je al jaren kennen. Ongegeneerd. Vreemd.
Maar het was een heerlijk publiek. En dat met die cd's. Tja, ik zeg
het eerlijk, het scheelt ons een hoop inkomsten als we het niet doen."
Boekee verklaart dat ze veel over de muziek praten, maar eigenlijk
nooit over de teksten. "Ieder toch zijn eigen interpretatie. Maar toch
is het ergens wel raar, dat ik niet weet wat de anderen voelen en
denken bij een nummer." Zelf is hij tijdens het spelen meer met de
muziek bezig. "Soms zweef ik helemaal weg, dan komt alles zo mooi
samen. Dan stop je met denken, heerlijk."
"Ik probeer zo veel mogelijk te voelen wat ik voelde bij het maken
van het nummer," bekent Zijlstra. "Maar dat lukt niet altijd. Dan moet
je het acteren. Het vergt uiterste concentratie. Soms dwaal ik wel
kort af, maar aan boodschappenlijstjes denk ik niet."
Als de bus is volgeladen met apparatuur nemen de technici afscheid en
vertrekt Zijlstra naar Amsterdam. Daar wordt in café 't Blauwhooft de
onvermijdelijke nazit uitbundig gevierd. Boekee gaat niet mee, want
'hij moet kindjes maken.' Althans volgens Ingenhousz.
Enkele uren, en talloze Belgische biertjes later zijn de visstand van
de Noordzee, het ontstaan van de band, de relatie van de barkeepster
en het schommelen van de woonboot van Ingenhousz besproken. "Ik moet
er nu vandoor, want om elf uur moet ik Maarten van Roozendaal ophalen
voor een jamsessie in Ouderkerk," weet Zijlstra nog aardig overtuigend te
melden. Maar dan draait hij zich toch nog om. "Maar nu moet jij eens
wat vertellen en stel ik de vragen."